In Hoever Deugt Toponymie?

Jacques Fermaut, geplaatst mei 2009






Het antwoord zal ik trachten te geven aan de hand van de verklaringen verstrekt door MAURITS GYSSELING, de Vlaamse Paus van de toponymie, voor de dorpen en steden in een straal van vijftien kilometer rondom mijn dorp Bierne, in zijn TOPONYMISCH WOORDENBOEK VAN BELGIË, NEDERLAND, LUXEMBURG, NOORD-FRANKRIJK EN WEST-DUITSLAND – "Qui trop embrasse mal étreint !" - (vóór 1226), uitgegeven in 1960. De reden voor die keuze geef ik straks. Ik citeer Gysseling letterlijk, inclusief in het Frans.

BIERNE : door Gysseling Bieren gespeld – ook zo te vinden in een zeker aantal teksten - maar in de volksmond altijd Bierne uitgesproken. Niemand zou op het gedacht komen Veurne Veuren te spellen : die metathesis is immers schering en inslag in onze streek. Gysseling geeft geen verklaring. Ik vraag mij af of het niet om een delabialiseerde vorm van berm gaat : Bierne is inderdaad een soort berm tussen de Coedyck et de Gersta (vroegere zeearm die tot over Sint-Winoksbergen reikte). Maar ik weet het evenmin zeker.

SINT-WINOKSBERGEN : Gysseling : « berga- m, dat. pl. bergum "montagne". Cf. Groeneberg. » Evident : De Groeneberg is 21 meter hoog aan de rand van de polders.

CROCHTE : door Gysseling Krochte gespeld. Gysseling vindt er geen verklaring voor. Die ligt nochtans voor de hand en is gewoon te vinden bij Verdam (MIDDELNEDERLANDSCH WOORDENBOEK) : "Crocht, croft, znw. vr. Hooge zandgrond, akker in de duinen." Crochte (10 meter hoog) ligt aan een vertakking van de Gersta op een boogscheut van een Romeinse heerweg. Pikardische tegenhanger : Crocq, Croquet. Volgens archeoloog Filip De Spriet loopt men er gewoon over stukken tegulae et imbrices. Was tijdens de transgressies vermoedelijk een haven, in de Romeinse periode Cruptorix genoemd.

STEENE : door Gysseling Stene gespeld. Verklaring van Gysseling : « Germ. stainum, dat. pl. de staina- "pierre". Terminus d'une chaussée romaine venant de Cassel ? » Het is niet onmogelijk maar die heerweg ging veel verder dan Steene, misschien zelfs tot Mardyck, er kan dus geen terminus bestaan bij Steene. Daarenboven loopt die heerweg op bijna een kilometer afstand van het dorp. Zou Steene steenburg betekenen (denk aan de Gentse Steen) ? Misschien verving de zeventiende eeuwse Steenburg van Vigorius de Raepe een vroeger slot : hij ligt immers aan het uiteinde van een voormalige diepe inham in het verlengde van de Coedyck.

DRINCHAM : door Gysseling Drinkam gespeld. Verklaring van Gysseling : « Germ. : patronyme en –inga + hamma- m. "langue de terre se projetant en terrain d'inondation". Il s'agit d'un des ham (cf. Millam, Pitgam, le bois du Ham) faisant saillie dans l'ancien golfe de l'Aa ». De verklaring van hamma is evident juist. Voor het eerste deel neemt hij zoals altijd zijn toevlucht tot een persoonsnaam en klaar is Kees ! Volgens mij komt Drinc- evident van deering, daring, het plaatselijke woord voor veen of turf, wat blijkt ter plaatse.

PITGAM : omdat vormen als Tidecham ook voorkomen, geeft Gysseling de volgende gewoonlijke patronymische verklaring : « "Germ. Theudinga "des gens de Theudo" + hamma- m. "langue de terre se projetant en terrain d'inondation" ». Midden in het dorp ligt een groot pit (Vlaams voor poel), in geen enkel ander dorp is dat het geval : kan dat de naam verklaren ? Dat mag Joost weten ! Interessant is te noteren dat een voormalige diepe inham tussen Drincham en Pitgam Deullaert heet. Op het einde draagt een straat de veelzeggende naam van Scheepstadtstraete !

CRAYWICK : door Gysseling Kraaiwijk gespeld. Verklaring van Gysseling : « Germ. kraejon. F. "corneille" + wika- "établissement filial". » Akkoord voor wika- . Maar laat die kraaien maar wegvliegen. Craywick ligt op een vermoedelijke rest van een fossiele duin aan de rand van een watergang dat "Haven" heet. Verband met "kraag" - met palatalisatie - en dergelijke woorden ?

SOCX (30m hoog) : door Gysseling Soks gespeld. Gysseling verwijst naar een ander dorp in het binnenland, namelijk Chocques, waar hij als verklaring voor geeft : « Rom. (< celt.) tsukka "souche", dont choque est la forme picarde. » Afgezien van het feit dat de twee dorpen in verschillende taalgebieden liggen, respectievelijk Pikardisch en Vlaams, vind ik het maar al te gek dat een dorp zijn naam gekregen zou hebben van boomstronken ! Komt vermoedelijk van Chauci. Schrik niet ! Socx had immers toegang door de Gersta tot het Mare Germanicum dat te vinden is op bijna alle oude kaarten van Vlaanderen.

WORMHOUT : verklaring van Gysseling : « Germ. Wurmi- m. "ver, serpent" + hulta- n. "bois". » Gekker kan niet. Slangen zijn er nooit geweest en die wormen zie ik evenmin zitten. Worm betekent "zekere soort van land, meest heide" (De Flou XVII p. 738). Wormhout lag aan de monding van de Peene en van de Ijzer tijdens de transgressies. Mhout (h komt misschien uit volksetymologie om er hout van te maken) staat wellicht gelijk met mouth (mond) in het Engels : die westingwaeonismes zijn immers schering en inslag in Vlaanderen (denk aan Diksmude – muide is een vernederlandsing - versus Dendermonde). Wormhout zou dus monding aan de heide kunnen betekenen. Maar als 'mouth' u te Engels in de oren klinkt, kan hout in de betekenis van bos best zijn plaats innemen. Wij krijgen dan bos in of aan de heide.

QUAEDYPRE (30m hoog) : door Gysseling Kwaadieper gespeld. Verklaring door Gysseling : « Germ. kwaeda- mauvais > petit" + Ieper, la ville d'Ypres. » Wat Ieper, dat heel ver ligt, hier komt doen is mij een raadsel. Komt vermoedelijk van Quadi. Schrik niet ! Quaedypre had immers toegang door de Gersta tot het Mare Germanicum dat te vinden is op bijna alle oude kaarten van Vlaanderen. Ypre zou haven kunnen beketenen.

COUDEKERQUE : door Gysseling Koudekerke gespeld. Verklaring door Gysseling : « Germ. kalda- "koud" + kirika "kerk". » Kerk is evident maar zie je al de gelovigen bibberen van de kou in die kerk ! Stommer kan niet. Het dorp lag vroeger aan de Coedyck – wat het eerste deel verklaart - die uitmondde bij Malo.

WARHEM : door Gysseling Warrem gespeld. Gysseling geeft geen verklaring. Warhem had tijdens de transgressies toegang tot de Honte (zie Hondschoote) en de zee. Misschien wal of waal- (shorteningen zijn schering en inslag in het Vlaams, b. v. betje voor beetje – waal = inbraak van de zee) -hem. Hem is geen probleem en is elders verklaard.

UXEM : door Gysseling Uksem gespeld. Voor –hem –ham, geeft Gysseling de gebruikelijke en juiste verklaring. Voor het eerste deel neemt hij zoals altijd zijn toevlucht tot een persoonsnaam (Ukko) en klaar is Kees ! Omdat ik dat persoonsnaamspelletje niet wil spelen kan ik dat eerste deel niet verklaren.

KILLEM : Gysseling geeft geen verklaring en die is toch evident. Hem is geen probleem en Killem ligt aan het uiteinde van een duidelijke kil (stroomgeul volgens het WNT) waarvan de Killembeek een overblijfsel is.

HONDSCHOOTE : door Gysseling Hondschote gespeld. Verklaring door Gysseling : « Germ. hunda- m. "chien" + skauta- m. "langue de terre boisée faisant saillie en terrain d'inondation". » Met de verklaring van skauta- ben ik het roerend eens. Maar hoe is het mogelijk dat Gysseling niet ingezien heeft dat het eerste lid "honte" (tijgeul) is ? Honte is nog altijd de naam van een deel van de Westerschelde. Professor Ryckeboer zei me eens : "Dat is filologisch volstrekt onmogelijk !" Stelligheid is het kenmerk van zwakke wetenschappen ! Mijn verklaring is evident juist. Want die honte bestaat ter plaatse wel degelijk. Tot in 1969 was Hondschoote een haven. Vroeger was die verbonden met de zee door die honte die nog heel duidelijk te zien is in het landschap en in de toponymie. Tegenover Warhem vind je Le Chien : een stomme Fransman heeft dezelfde fout begaan als Gysseling en honte (tijgeul) vertaald als hond. Het ligt op nul en juist tegenover vind je het Kamtje (3 m) : de Warhemse oever.

Waarom bleef ik in de buurt van mijn dorp ? Omdat een goede kennis van de streek het eerste vereiste is voor goede toponymie. Persoonsnamen mag je natuurlijk niet uitsluiten maar geografische bijzonderheden hebben zeker een veel grotere rol gespeeld.

Nu bekijken de toponymisten de zaken alleen uit filologisch standpunt. Filologie is een serieuze wetenschap. Ze werkt immers doorgaans met stevig taalmateriaal, al komt ook hier en daar af en toe een sterretje staan die soms wel wat met verbeelding te maken heeft. Toponymie is dat maar zelden en wel om drie redenen :

1. ze vertrekt van veel onzekerder vormen, vaak overgenomen van een andere taal naar het Latijn toe - of het Frans in onze streek -. En zelfs als naamvormen overgenomen worden in dezelfde taal is nauwkeurigheid heel vaak zoek : ga eens na hoe de naam van Jean-Baptiste Poquelain (Molière) gespeld werd (Pouguelin en varianten). Op mijn site geef ik een paar voorbeelden uit de beroemde kaart van Cassini (vlak voor de Franse Revolutie, toen zorg voor spelling al bestond) zo werd - vermoedelijk door tussenkomst van een Russische zegsman !!! - Polinckhove omgetoverd tot Poloiakof of zoiets, zand werd er zan etc. etc. Het vertrekpunt is dus te vaak onzeker, echt drijfzand, om daarop altijd sluitende redeneringen te kunnen bouwen, wat de toponymisten geregeld doen.

2. de toponiemen zijn stukken minder neutraal dan normale woorden, meer emotioneel geladen, vaak niet meer begrepen omdat ze heel oud zijn en dus veel meer onderhevig aan volksetymologie soms onder schertsende vorm soms om statusgevende redenen, etc. etc.

3. de substraten zijn heel taalrijk en heel vaak onbekend omdat de volksmond veel meer verscheiden is - patois, dialecten en idiolecten bij de vleet ! ga eens na wat de enorme verschillen zijn tussen mijn Winnezeels en het Arneeks ! - en minder gevoelig voor officiële taalnormen, en omdat de ter plaatse als norm geldende mensen ook van allerlei origine kunnen zijn. (Het Nederlands heeft daar een goeie uitdrukking voor : die hebben het voor het zeggen.)

Nu willen de toponymisten in alles het laatste woord krijgen en slaan de tegenstander geregeld om de oren met "volstrekt onmogelijk". Dit overzichtje laat duidelijk blijken dat die wankele wetenschap een toontje lager zou moeten zingen.